Podotrochleose: natuurgeneeskundig bekeken

Tekst: Lia Verberne

Lees hier deel 2 van het artikel

Vanuit de Silverlinde kwam de vraag om een samenvatting van mijn scriptie te schrijven voor de nieuwsbrief. Aangezien ik dit onderwerp graag uitdraag heb ik meteen ingestemd. Hopelijk dat er hierdoor meer bewustwording voor deze aandoening en zijn oorzaken komt, zodat er meer paarden beter geholpen kunnen worden.

Wat is podotrochleose
Podotrochleose staat in de volksmond bekend als hoefkatrolontsteking. Het is een chronische, progressieve aandoening van één of meerdere structuren behorende tot de podotrochlea, het hoefkatrolgebied, en is de meest voorkomende oorzaak van kreupelheid aan het voorbeen. Het hoefkatrolgebied wordt gevormd door het kroonbeen, het hoefbeen, het straalbeen en de diepe buigpees. Ook de tussen de diepe buigpees en het straalbeen gelegen slijmbeurs, de bursa podotrochlearis, en de ligamenten van het straalbeen behoren tot het hoefkatrolgebied. Als één van de structuren in het hoefkatrolgebied beschadigd of geïrriteerd raakt kan er een ontstekingsreactie ontstaan die kreupelheid tot gevolg kan hebben. Dit is een ontstekingsproces waar geen bacteriën of andere ziektekiemen bij betrokken zijn. Het gaat dan om een zogenaamde steriele ontsteking.

Zo’n beschadiging kan door het paard rust te geven wel genezen waardoor de kreupelheid verdwijnt. Deze beschadiging laat echter een litteken achter. En in de complexe structuur van het hoefkatrolgebied van het paard, waar alles soepel en elastisch moet zijn, kan dit litteken ervoor zorgen dat er op de langere termijn weer irritatie ontstaat en daardoor een nieuwe beschadiging veroorzaken. Zo ontstaat er steeds meer littekenweefsel en wordt het hoefkatrolmechanisme steeds minder soepel. Het kraakbeen van het straalbeen wordt aangetast en uiteindelijk kan er zelfs botdeformatie van het straalbeen ontstaan.

Podotrochleose aan de achterbenen komt bijna nooit voor, dit komt doordat 2/3 van het gewicht van het paard en de eventuele ruiter op de voorbenen rust. Verder kan een paard wel zijn achterbenen om en om op rust zetten, maar niet de voorbenen.

Afbeelding  Vandenberghe, F. Dierenkliniek De Bosdreef, Moerbeke : sn.

De eerste twee plaatjes laten een gezond straalbeen zien met mooie scherpe lijnen. De derde en de vierde laten een straalbeen zien met linksonder geen scherpe rand en midden onder zijn vergrote voedingskanalen te zien die ook wel lollypops genoemd worden. Het zijaanzicht laat hier een duidelijk aangetast straalbeen zien.

Functie van het hoefkatrolgebied
Het hoefkatrolgebied heeft een belangrijke functie in zowel de beweging als ook het stilstaan van het paard. Bij het paard in stilstand heeft de diepe buigpees al een basisspanning, dit is om de neerwaartse druk van het lichaam op te vangen. Anders zou de teen van de hoef op gaan wippen. Bij de beweging van het voorbeen worden er behoorlijke krachten uitgeoefend op het hoefbeen en hoefgewricht door de diepe buigpees. Het straalbeen speelt hier een belangrijke rol in. Deze beschermt het hoefgewricht tegen de beweging en spanning van de diepe buigpees. Het straalbeen zorgt samen met de bursa podotrochlearis dat er veel minder wrijving is voor zowel het hoefgewricht als de diepe buigpees, zodat de beweging soepeler kan verlopen.

Het straalbeen zorgt er verder voor dat de hoek van de trekkracht van de diepe buigpees op de aanhechting van het hoefbeen niet wijzigt, ondanks verandering van de stand van de gewrichten. Bij het paard in beweging is te zien dat het paard in de voorwaartse beweging voor de landing de voet strekt door middel van de strekpees en strekspier. Hierdoor kan het nagenoeg vlak maar met de hiel eerst landen. Bij een hiellanding zijn de botten en de gewrichten perfect in lijn om zodoende de klap van de hoef op de grond op te vangen. Als de hoef van het paard de juiste vorm en structuur heeft is er sprake van een juiste verdere afwikkeling van de pas. Hierdoor ontstaat er geen abnormale belasting of slijtage. Doordat de straal bij een hiellanding als eerste de grond raakt kan deze, in samenwerking met het dieperliggende straalkussen en het kraakbeen, de schok van de landing opvangen. Zodoende is de doorbloeding van voet en onderbeen optimaal en dus ook de uitwisseling van voedingsstoffen en afvalstoffen in het hoefkatrolgebied.

Oorzaken
Incorrecte belasting wordt gezien als grootste oorzaak. Deze kan ontstaan doordat er een verkeerde belasting op de hoef komt of doordat de hoef niet de juiste vorm heeft. Maar een verkeerde belasting op een hoef die de verkeerde vorm heeft kan ook. Wanneer het paard bijvoorbeeld een verkeerde beenstand heeft, wordt de belasting van het gewicht van het paard en een eventuele ruiter op een verkeerde manier opgevangen door alle gewrichten, pezen en banden in de benen. Dit verhoogt de kans op irritaties en overbelasting. Een ander voorbeeld is een te lange teen, deze veroorzaakt een grotere spanning op de diepe buigpees en hierdoor indirect op het straalbeen doordat het afrolmoment verlengd wordt. Een te lange teen veroorzaakt verder vaak een teenlanding in plaats van een hiellanding. Hierdoor krijg je een verkeerde belasting van alle gewrichten in het onderbeen.

Overbelasting door gebruik kan ook een oorzaak zijn. Alle gebruik van het paard wat een te grote of een verkeerde kracht op het hoefkatrolgebied uitoefent kan podotrochleose veroorzaken of verergeren. Bijvoorbeeld de landing bij een springpaard geeft veel piekbelasting op de pezen en veel druk van het kroonbeen op het straalbeen. Paarden in de mensport die veel over harde ondergrond draven en IJslanders die op een harde ondergrond tölten lopen meer risico omdat de harde ondergrond een hardere klap in het hoefkatrolgebied geeft en er dus meer kans is op irritatie.

Een ondergrond die te los is waardoor het paard er te diep in wegzakt kan ook podotrochleose veroorzaken doordat de pezen en banden dan te zwaar belast worden. Een paard wat niet correct gereden wordt en daardoor scheefheid ontwikkelt – waardoor het ene been meer belast wordt dan het andere – of wat teveel op de voorhand gereden wordt, zal het hoefkatrolgebied op een verkeerde manier belasten en hierdoor meer risico lopen.

Te weinig belasting kan echter eveneens podotrochleose veroorzaken. Te weinig belasting zorgt ervoor dat de ondersteunende structuren van het hoefkatrolgebied slechter ontwikkelen, zoals het straalkussen en omliggende bloedvaten. Hierdoor ontstaat er een veel kleinere schokabsorptie en wordt het hoefkatrolgebied slechter beschermd en gevoed.

Ook de erfelijkheid speelt mee. Bepaalde genen hebben invloed op de ontwikkeling van sesambeentjes. Paarden met dit gendefect hebben kans op ontwikkeling van podotrochleose, zelfs wanneer alle andere omstandigheden goed zijn. De aanleg voor verkeerde been- en hoefstanden kan eveneens erfelijk zijn. Deze leiden weer tot een verkeerde belasting van de voet.

Er zijn dus meerdere factoren die podotrochleose kunnen veroorzaken; gelukkig is er wel iets te doen aan deze aandoening. In de volgende nieuwsbrief ga ik in op de natuurgeneeskundige mogelijkheden voor behandeling van podotrochleose.

Deel 2 artikel:

Behandeling

Hoewel de aandoening diverse structuren kan betreffen en er meerdere oorzaken kunnen zijn, en hierdoor de aandoening op vele fronten bestreden kan worden, is de reguliere behandeling vaak hetzelfde. De behandeling wordt vaak ingezet op rust in combinatie met pijnstilling en het inspuiten van het gewricht of slijmbeurs met reguliere middelen, soms ondersteund met speciaal beslag. Wanneer dit niet afdoende blijkt wordt er wel eens chirurgisch ingegrepen door middel van bijvoorbeeld een zenuwsnede of het doorsnijden van banden. Hierbij wordt er voorbijgegaan aan het zelfherstellend vermogen van het paard.

Een natuurgeneeskundig therapeut zal eerst een uitgebreide anamnese afnemen, uitgebreider dan de reguliere dierenarts. Aan de hand van de bevindingen zal de natuurgeneeskundig therapeut aanraden om bepaalde middelen in te zetten, maar ook een advies uitbrengen over de mogelijk te nemen maatregelen. Er moet een goed behandelplan opgesteld worden, waarbij er duidelijke korte en lange termijndoelen worden vastgesteld en welke verwachtingen voor het paard nog reëel zijn.

De maatregelen zijn belangrijk, deze mogen niet onderschat worden. Wanneer er alleen middelen ingezet worden en er geen veranderingen aangebracht worden in de leefomstandigheden, zal de aandoening slechter herstellen. Deze zal steeds vaker opspelen waardoor de structuren in het hoefkatrolgebied steeds grotere schade oplopen. De oorzaak wordt dan niet weggenomen.

Een natuurgeneeskundig therapeut kan de volgende maatregelen meenemen in het advies wanneer deze van toepassing zijn voor het betreffende paard:

  • Hoef in balans laten brengen, indien mogelijk zonder ijzer.
  • Belasting aanpassen. Passende training adviseren om het paard recht te richten.
  • Paard voldoende beweging geven op een passende ondergrond.
  • Hele paard na laten kijken op blokkades door osteopaat, fysiotherapeut of chiropractor.
  • Tanden na laten kijken. Deze kunnen van invloed zijn op de belasting van de hoeven.
  • Voeding aanpassen. Krijgt het paard wel voldoende vitaminen en mineralen binnen, maar niet te energierijk voer. Overgewicht kan beter voorkomen worden aangezien dit de gewrichten meer belast.
  • Verwachtingen bijstellen. Een topprestatie moeten leveren in de wedstrijdsport, is een hele andere verwachting dan rustig aan trainen om het paard recht gericht en op de achterhand te houden, of zelfs pijnvrij oud worden en niets meer hoeven doen.

Verder zijn er diverse natuurgeneeskundige middelen die ingezet kunnen worden. Welke het meest geschikt zijn moet bepaald worden door een natuurgeneeskundig therapeut en is helemaal afhankelijk van de lichamelijke en geestelijke conditie van het dier. Onderstaande middelen zijn voorbeelden van diverse therapieën welke op advies van een therapeut eventueel ingezet kunnen worden. Er zijn nog veel meer middelen die ingezet kunnen worden.

Aromatherapie: dit is het inzetten van essentiële oliën, een geconcentreerde plantenkracht.

  • Lemongrass, stimuleert het lymfestelsel en versterkt het bindweefsel
  • Rozemarijn, stimuleert de doorbloeding
  • Jeneverbes, zet het lichaam aan te doen wat het moet doen, op alle niveaus

Fytotherapie: dit is een therapie waarbij gebruikt wordt gemaakt van planten, delen hiervan of preparaten van de plant, zoals een tinctuur of een afkooksel.

  • Arnica Montana, verhoogt de doorbloeding en vermindert zwelling
  • Smeerwortel, stimuleert de doorbloeding van beschadigd (bot)weefsel, ontstekingsremmend en pijnstillend
  • Wilg, pijnstillend, ontstekingsremmend, beschermt het kraakbeen
  • Duivelsklauw, pijnstillend, ontstekingsremmend, beschermt het kraakbeen
  • Curcuma Longa, pijnstillend en ontstekingsremmend

Homeopathie: het principe van homeopathische geneeskunde is dat iemand van een aandoening of ziekte kan genezen door het innemen van een homeopathisch geneesmiddel. Dit middel zou bij een gezond mens of dier dezelfde symptomen oproepen als wat de betreffende aandoening of ziekte zou veroorzaken.

  • Hecla lava, om botwoekering te voorkomen dan wel te verminderen
  • Ruta graveolens, bij overbelasting van pezen, tegen woekeringen op pezen en botweefsel
  • Symphytum, bij botaantasting en voor smering van de gewrichten

Bachbloesemtherapie: wanneer het paard in een mentale disbalans terecht komt, door bijvoorbeeld niet meer met de rest naar buiten te mogen vanwege voorgeschreven boxrust, kan er een Bach-remedie ingezet worden. Deze therapie streeft genezing na door middel van herstel van de harmonie op geestelijk en energetisch vlak.

  • Centaury, paard wat zijn eigen grenzen voorbij gaat en daardoor geblesseerd kan raken
  • Honeysuckle, helpt het dier bij veranderingen, bijvoorbeeld wanneer het paard ineens boxrust krijgt of van hoog in training naar niets doen gaat en dit mentaal niet aankan
  • Olive, bij uitputting na grote mentale of fysieke belasting zoals bij langdurige heftige kreupelheid

Celzouttherapie: dit is een mineralentherapie, waarbij de ingezette mineralen dusdanig zijn verwreven dat zij makkelijk door de cel worden opgenomen.

  • Nr. 1 Calcium fluoratum, bij aandoeningen van botten, banden en pezen, gaat zwelling in het gewricht tegen, maakt hard wat hard moet zijn en zacht wat zacht moet zijn
  • Nr. 3 Ferrum phosphoricum, bij peesschede en slijmbeurs ontstekingen
  • Nr. 11 Silicea, bij chronische slijmbeurs- en peesschede-ontstekingen en kraakbeenbeschadiging

Complementaire natuurgeneeskundige zorg: denk hierbij onder andere aan bloedzuigertherapie, osteopathie, goede tandverzorging en massagetechnieken. Maar ook aan het herstel van doorstroming van de energiebanen middels bijvoorbeeld acupunctuur, acupressuur, bioresonantie en energetische therapieën die gebaseerd zijn op het doorgeven van levensenergie zoals Reiki en Jin Shin Jyutsu.

Veldonderzoek
De onderzoeksvraag van mijn scriptie is of het breed inzetten van natuurgeneeskundige therapieën een betere uitkomst kan bieden voor zowel paard als eigenaar. Om een antwoord op deze vraag te verkrijgen is er via social media een enquête uitgezet onder eigenaren, verzorgers en bijrijders van paarden met de diagnose podotrochleose.

De via social media uitgezette enquête onder paardeneigenaren, verzorgers en bijrijders hebben 17 antwoorden opgeleverd. Door het beperkte aantal antwoorden kunnen er geen harde conclusies uit getrokken worden. Een voorzichtige conclusie is dat wanneer de opgelopen schade aan de structuren in het hoefkatrolgebied beperkt is, een goede hoefbalans en training voldoende kan zijn om het paard te laten herstellen. Bij de paarden met grotere opgelopen schade lijken de resultaten gunstiger voor de paarden met een brede inzet aan therapieën dan degenen zonder brede inzet. Wat wel duidelijk naar voren komt in deze enquête is dat eigenaren niet of nauwelijks worden gewezen op de mogelijkheid van een bredere inzet van therapieën.

Om meer inzicht te krijgen in de praktijkervaringen van diverse behandelaren zijn er interviews afgenomen met een hoefsmid, natuurgeneeskundig therapeut, osteopaat welke ook paardrijdinstructrice is en een dierenarts. Uit het interview met de dierenarts komt naar voren dat met name de hoefbalans belangrijk is en er goed gekeken moet worden naar training en leefomstandigheden, de medicatie lost het probleem maar tijdelijk op. De ervaring van de niet-reguliere behandelaren is dat het op alle vlakken naar het paard kijken en een brede inzet van therapieën een paard met podotrochleose de grootste kans op een betere toekomst biedt. Allemaal geven ze aan dat er veel afhankelijk is van de eigenaar en zijn verwachtingspatroon van het paard. Wanneer dit niet bijgesteld wordt valt het paard vaak terug in de oude blessure.

Conclusie
Door kennis te nemen van de anatomie en fysiologie van een gezond paardenbeen, wat podotrochleose is en wat de oorzaken hiervan kunnen zijn, wordt het duidelijk welke middelen het paard kunnen ondersteunen in het herstel. Het geeft eveneens inzicht in de te nemen maatregelen voor het herstel en preventie van podotrochleose. De reguliere medicatie is effectief in het bestrijden van de symptomen maar kan nadelige bijwerkingen hebben, zeker wanneer deze langdurig ingezet worden. Het chirurgisch ingrijpen kan leiden tot het ontstaan van andere blessures.

Uit de genoemde oorzaken blijkt dat goede hoefverzorging van cruciaal belang is bij de aanpak en preventie van podotrochleose. Natuurgeneeskundig zijn er vele middelen om de structuren in het hoefkatrolgebied te ondersteunen en te versterken en het zelfherstellend vermogen van het paard te stimuleren. Het zijn echter geen wondermiddelen en soms kunnen ze alleen verbeteren en niet helemaal beter maken. Veel hangt af van de reeds ontstane schade en of deze nog omkeerbaar is.

Hoewel het niet wetenschappelijk bewezen is, komt er uit de theorie en de ervaring van meerdere behandelaren naar voren dat wanneer het paard natuurgeneeskundig wordt bekeken en met een brede inzet van therapieën en maatregelen wordt ondersteund, de prognose het beste blijkt te zijn.