De invloed van stress op de fysieke prestaties van het paard. 

Tekst: Edine Koens 

Veel paardeigenaren geven aan wel eens te maken hebben gehad met een paard dat vage bewegingsklachten of een afname van de fysieke prestaties liet zien. In sommige gevallen werden ook gedragsproblemen en/of een veranderd mentaal beeld (spontane angst, explosief gedrag of een verhoogde alertheid) waargenomen. De route naar de oplossing van deze klachten start in veel gevallen bij een dierenarts of bewegingstherapeut. Dat onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van beeldvorming, niet altijd uitsluitsel geeft en behandelingen van een bewegingstherapeut in sommige gevallen maar een tijdelijke verbetering van de klachten geeft blijkt uit gesprekken met meerdere paardeigenaren. Dit kan betekenen dat de oorzaak van de klachten nog niet is gevonden. Dat een holistische aanpak nodig is om bij de bron van de klachten te komen wordt bevestigd door verschillende bewegingstherapeuten. Hierdoor kunnen meerdere factoren worden beoordeeld en, indien nodig, aangepast. Op deze manier kunnen bijvoorbeeld niet passende training, voeding of management geoptimaliseerd worden en op deze manier minder stress veroorzaken bij het paard. Dit niet alleen om het zelfgenezend vermogen zo goed mogelijk te laten functioneren, maar ook omdat stress een onderdeel van de oorzaak van de klacht kan zijn of worden.

Wat is stress dan eigenlijk?

Hoewel de woorden stress en spanning een negatieve lading hebben, hoeft dit niet altijd het geval te zijn. Stress zorgt namelijk voor een fysiologisch proces dat het lichaam in staat stelt om acuut te reageren op situaties die daarom vragen, bijvoorbeeld bij gevaar. Bij het detecteren van een stressprikkel zal het sympathisch zenuwstelsel worden geactiveerd. Dit zorgt er op zijn beurt voor dat het bijniermerg adrenaline en noradrenaline gaat aanmaken waardoor meer zuurstof kan worden opgenomen, de hartactiviteit wordt gestimuleerd en het immuunsysteem wordt versterkt. Daarnaast vindt er vasoconstrictie plaats in organen en systemen die niet bijdragen aan een vecht- of vluchtreactie. Dit zorgt ervoor dat er meer bloed beschikbaar is voor skeletspieren, welke onder andere zorgen voor het voortbewegen van het lichaam. De spierspanning stijgt en in de lever en spieren wordt glycogeen omgezet in glucose, waardoor de bloedsuikerspiegel stijgt, de glucose in het bloed dient weer als voedingsstof voor de spieren. Al deze processen zorgen ervoor dat het lichaam optimaal kan functioneren in de situatie waar het zich in bevindt. Dit wordt ook wel eustress genoemd. Hier tegenover staat dat het lichaam ook in een periode van herstel moet kunnen komen. Hierbij kunnen de spieren ontspannen en gaat er weer voldoende aandacht naar de spijsvertering.
Als het sympathisch zenuwstelsel langer actief blijft volgt de aanpassingsfase. Cortisol zorgt voor remming van de eiwitsynthese en een verdere verhoging van de bloedsuikerspiegel. Verder zorgt cortisol voor de remming van ontstekingsreacties en stimuleert het de aanmaak van antistoffen. In dit stadium draagt cortisol nog positief bij aan het omgaan met een stressvolle situatie. Blijft deze situatie echter te lang aanwezig zal de uitputtingsfase volgen. Dit betekent dat er voortdurend cortisol aangemaakt word en er geen ruimte meer is voor rust en herstel. Om de bloedsuikerspiegel op het gewenste niveau te houden worden de bouwstoffen voor glucose uit de spieren gehaald en er gaat steeds minder aandacht naar systemen die niet bijdragen aan overleven.

Herkennen we spanning of stress eigenlijk wel op tijd?

Paarden communiceren op een universele manier, zowel met elkaar als met de omgeving. In deze communicatie kunnen we veel kalmerende signalen terugzien. Deze signalen volgen vaak op een externe prikkel die zorgt voor een kort spanningsmoment en moeten zorgen voor daling van de spanning. Niet altijd hebben deze signalen het gewenste effect en kan het voorkomen dat het paard een andere manier vindt om spanning af te laten vloeien. Op dat moment kan een paard overspronggedrag laten zien, hierbij maakt het paard geen contact meer met de omgeving maar zal in zichzelf keren. Als zelfs het overspronggedrag niet succesvol is kunnen stresssignalen volgen, hierbij zien we vaak de vergrote vorm van kalmerende signalen als ronde ogen en neusgaten en een verstrakt gelaat. Een toegenomen spierspanning en een hoog gedragen hoofd en hals horen hier ook bij.

Een ander copingsmechanisme is stereotiep gedrag, denk hierbij aan weven, luchtzuigen of boxlopen. Bewezen is dat dit een succesvol mechanisme kan zijn op het fysiologisch proces. Tijdens onderzoek naar de relatie tussen stereotiep gedrag en cortisolniveau’s in het speeksel werd ontdekt dat deze niveau’s lager waren als paarden werd toegestaan te luchtzuigen. Tijdens training onder het zadel werd een verband gelegd tussen het vertonen van stereotiep gedrag, het cortisolniveau en een afwijkend bewegingspatroon. Bij een verhoogd cortisolniveau werd een veranderd bewegingspatroon waargenomen in de vorm van een vergrote dorsoventrale beweging tijdens de galop, maar ook vlucht- en staakgedrag in de vorm van bokken, steigeren en wegrennen.
Hoewel stereotiep gedrag dus wel een succesvol copingsmechanisme kan zijn, wil dit niet zeggen dat het ervoor zorgt dat spanning of stress afnemen. Daarnaast hebben deze gedragingen een negatief effect op het lichaam, denk hierbij aan een overbelasting van structuren in het lichaam tijdens weven of boxlopen. Een ander voorbeeld van het negatieve effect is luchtzuigen, dat een opvallende invloed heeft op het lichaam. Tijdens het vastpakken van bijvoorbeeld de boxrand worden de ventrale spieren van de hals: m. sternocephalicus, m. sternohyrohyoideus en m. omohyoideus aangespannen met een kracht die voldoende is om 30 kilo op te tillen. Ook is er een verband ontdekt tussen luchtzuigen en aandoeningen aan het temporohyoid gewricht, het gewicht tussen het slaapbeen en het tongbeen. Dit onderzoek toonde aan dat luchtzuigen zelfs kon leiden tot ankylose, het ontbreken van bewegingsmogelijkheid door vergroeiing en dit kan zelfs leiden tot neurologische problemen als uitval van hersenzenuwen.

Hoe zien we dit dan terug in het bewegingsapparaat en hoe komt dit?

Zoals vermeld is een hoge hoofd- en halshouding één van de stresssignalen. Bij een voortdurende verhoogde staat van alertheid zal deze lichaamshouding te vaak aanwezig zijn, in combinatie met een verhoogde spierspanning kan dit nadelige effecten hebben op de bovenlijn van het paard. Bij de bovenlijn zijn onder andere de strekkende spieren van de hals en de rug betrokken. Bij te grote en langdurige spanning in deze spieren kan een disbalans ontstaan tussen de spieren van de bovenlijn en de spieren van de onderlijn, die juist zorgen voor buiging, ofwel flexie, van de hals en rug. Deze disbalans zorgt op zijn beurt weer voor verminderde rompstabiliteit en verminderde verbinding tussen de voor- en achterhand. De spieren die verantwoordelijk zijn voor stabiliteit en verbinding zullen hun functie minder goed gaan vervullen en de m. longissimus dorsi, de lange rugspier, zal hierin mee moeten gaan helpen, wat weer voor een extra spanning zorgt op deze spier. We zien hierdoor een afwijkende lichaamshouding en gebruik van het lichaam ontstaan in de vorm van het bovenlijnsyndroom.

Ook neurologische problemen kunnen, onder invloed van langdurige stress, voor bewegingsproblemen zorgen. Tijdens humaan onderzoek naar informatieverwerking is aangetoond dat de informatieverwerking in het cerebellum kan veranderen onder invloed van stress. De prikkelgeleiding in het centrale zenuwstelsel wordt zodanig beïnvloed dat er een verhoogde activiteit met een aangepaste output ontstaat. Dit zou uiteindelijk kunnen leiden tot cerebellaire ataxie, welke zorgt voor een verstoorde coördinatie en repositioneringszin.

Dit is slechts een kleine greep uit de problemen die kunnen ontstaan. Als we ons realiseren dat in het paardenlichaam alles met elkaar in verbinding staat, is het aannemelijk dat er nog tal van andere problemen kunnen ontstaan.

Zo is er een grote, overkoepelende structuur dat het hele lichaam verbindt: fascia. Fascia zorgt onder andere voor de aanvoer van voedingsstoffen, de afvoer van afvalstoffen, helpt het immuunsysteem en is een communicatiemiddel. Als er, onder invloed van stress, meer vrije radicalen in het lichaam komen kan dit zorgen voor een stagnatie in de doorstroming van de fascia, maar ook voor minder bewegingsvrijheid van organen en spieren in het lichaam, die door fascia omgeven zijn. Een voorbeeld hiervan is de thoracolumbale fascia, die zich uitspreidt vanaf de basis van de hals tot het sacrum en verbonden is met de processus transversus van de wervelkolom en de ribben. Hierdoor is er een directe invloed op de beweeglijkheid van de facetgewrichten van de wervelkolom, maar ook op de beweging van de gehele romp.

Een andere bijzondere verbinding in het lichaam is de neuro-anatomische relatie tussen het viscerale en musculoskeletale systeem, ook wel segmentale innervatie genoemd. Deze relatie zien we terug in gebieden die segmentaal met elkaar verbonden zijn. De innervatiedichtheid van een orgaan is een stuk lager dan huid of spierweefsel. Dit betekent dat huid of spierweefsel een groter aantal zenuwuiteinden bevat. Hierdoor kunnen prikkels die onbewust worden waargenomen door het viscerale systeem bewust worden waargenomen in huid en spierweefsel in gebieden die segmentaal verbonden zijn met de locatie waar de prikkel onbewust wordt waargenomen. Bij langdurig aanhouden van deze prikkels kan spierspanning en uiteindelijk referred pain ontstaan.

Het stomatognatisch systeem verbindt de organen en weefsels van het orale gebied met de voorhand van het paard. Een belangrijk onderdeel hiervan is het kaakgewricht, dat veel invloed ondervindt van de ruiter en tuigage. De nauwe verbinding met het tongbeen zorgt voor verdere verbinding met de voorhand. Dit systeem is anatomisch verbonden met neurologische structuren die verantwoordelijk zijn voor proprioceptie, maar het heeft ook een neurologische verbinding met de hoge hals. Deze verbinding komt tot stand met behulp van het trigeminocervicale complex. Dit wordt veroorzaakt doordat sensorische informatie uit het ruggenmerg ter hoogte van de hoge hals dezelfde route naar de hersenen aflegt als sensorische informatie waargenomen door de n. trigeminus. Beide informatiestromen lopen via het trigeminothalamuskanaal dat van het verlengde merg doorloopt tot aan de derde cervicale wervel. Als deze informatie tegelijk dezelfde route aflegt kan deze vermengd worden.

Wat kan een natuurgeneeskundig (bewegings)therapeut betekenen?

Uit gesprekken met paardeigenaren en professionals, bleek dat problemen die ontstaan onder invloed van stress actueel zijn. Verder bleek dat een multidisciplinaire aanpak nodig is, om ook de oorzaak van de klachten aan te pakken.

Door de situatie te beoordelen met een holistische blik worden alle factoren die een rol kunnen spelen meegenomen. Zo wordt er, naast een bewegingsonderzoek, een beoordeling gemaakt van het management, de voeding, training en de leefomgeving. Al deze factoren moeten passend zijn bij het individu en het karakter van het dier. Dit laatste bepaalt namelijk voor een belangrijk deel hoe het paard met stressvolle situaties om kan gaan.

Een natuurgeneeskundig therapeut kan, door de brede ontwikkeling en kennis, bovengenoemde multidisciplinaire aanpak bieden. Door de verworven kennis over bijvoorbeeld de fytotherapie in combinatie met kennis van de anatomie en de natuurlijke behoeftes kan een omgeving worden gecreëerd waarbij het paard profiteert op elk gebied. Daarnaast is het mogelijk om, in plaats van suppletie met complexmiddelen, gericht tekorten aan te vullen die ontstaan zijn door stressvolle situaties. Minstens net zo belangrijk is het bestuderen van gedragingen en eigenaren hierover informeren, zo kan ook een mentale ondersteuning aan het paard gegeven worden. Op deze manier leren we de eigenaar ook te antwoorden op de vragen die het paard stelt en kan een wisselwerking met optimale resultaten ontstaan!